Ontruiming

De laatste tien jaar voor dat het doek valt
Over de ontruiming van Schokland valt heel veel te vertellen, maar voordat dit ter sprake komt is het interessant om te zien hoe de laatste jaren voor die ingrijpende gebeurtenis zijn verlopen. Hoe zijn de laatste jaren voor de bewoners van Schokland eigenlijk geweest? Was er allang sprake van de dreiging van ontvolking, waardoor er een toestand van 'afwachten tot de klap komt' heerste, of ging het leven gewoon zijn gang, hopende op betere tijden? Waren de overheden in het geheim al langer bezig het plan voor te bereiden, de bevolking in onwetendheid latend? een klein beetje beeld te krijgen en zij het maar gebrekkig antwoord op die vragen, is het van belang de archieven betreffende die jaren te raadplegen. Hiervan doen wij kort verslag.
Een opmerkelijk bericht, waarin een suggestie over eventuele ontvolking opduikt, is te vinden in een brief van de Commissaris van de Koning in Overijssel aan de toenmalige burgemeester van Schokland, Gerrit Jan Gillot. De brief is van februari 1846, dus ruim tien jaar voor de ontruiming. De Commissaris, die zekere betrokkenheid bij het lot van de bewoners van Schokland niet ontzegd kan worden, en goed ziet dat er onvoldoende middelen van bestaan op het eiland aanwezig zijn, noemt twee maatregelen, die genomen zouden kunnen worden. Men zou een deel van de bevolking over kunnen plaatsen naar de koloniën van de Stichting van Weldadigheid, de bekende koloniën in Drente, waar armoedzaaiers en bedelaars geplaatst werden om daar tot kleine boeren om te kunnen scholen. Naar deze koloniën konden volgens de Commissaris zowel valide als invalide personen worden verzonden. 
Als tweede maatregel ziet hij wel iets in "vertrek naar een ander werelddeel' (emigreren dus). Voor deze laatste optie zouden zich, volgens "uw opgave" al enkele inwoners bereid verklaard hebben. Naar deze "volksplantingen buiten Europa" kunnen alleen mensen met hun gezin naar toe, die in staat zijn om te werken. De Commissaris zegt er bij dat van de mensen, die willen vetrekken, de huizen nauwgezet zullen worden getaxeerd en dat zij schriftelijk toestemming moeten geven om hun huis voor die prijs te willen afstaan. Je zou bijna zeggen dat deze voorstellen al aardig op de latere ontruiming vooruit lopen en er misschien al mee te maken kunnen hebben. Toch blijkt nergens dat hier enig verband in te vinden is. Waarschijnlijk zal deze poging van de Commissaris eerder gezien moeten worden in het kader van de overal in ons land en andere Europese landen ontstane trend om door emigratie de armoede te bestrijden. Emigratie naar met name Noord-Amerika leek daarvoor uitkomst te bieden. Dit zullen we echter los moeten zien van de hele operatie "Ontruiming van Schokland".
De toestand op Schokland in deze jaren wordt ons enigszins duidelijk gemaakt doordat Gillot als burgemeester, net als zijn collega's, ieder jaar enkele vragen moet beantwoorden. Over het jaar 1849 laat hij b.v. weten dat de gezondheid van de bewoners niets te wensen over laat. De nering van winkeliers en herbergiers is volgens hem "nogal voldoende "Op de weverij gaat het goed, vooral sedert deze in andere handen is gekomen" De firma Salomonson had namelijk de bedrijfsvoering van de zieke Seidel overgenomen. En dan volgt op de vraag over landverhuizers uit zijn gemeente het antwoord dat geen personen naar het buitenland vertrokken zijn, en hij rept ook niet over mensen, die plannen in die richting hebben. Hoe dan ook: de emigratiegolf, die over Europa trekt in deze tijden, lijkt aan Schokland voorbij te gaan. Ook alle volgende jaren moet Gillot verslag doen van de toestand in zijn gemeente. Hij doet dat overigens op de hem eigen wijze, n.l. kort en bondig, waarbij je soms tussen de regels door kunt lezen dat hij sommige vragen tamelijk overbodig vindt. In 1850 wordt door de Commissie voor Noodlijdenden voorgesteld om 120 gulden te besteden aan reparatie van het weefgetouw op Emmeloord. De predikant stemt voor, maar de pastoor is tegen. Onderwijzer Legebeke laat zijn stem afhangen van "die des pastoors". De Commissieleden, hebben vruchteloos geprobeerd de pastoor op andere gedachten te brengen. Uiteindelijk worden van dit geld "de buurtelijke terreinen of z.g. werven" van schelpen voorzien, en wordt informatie ingewonnen om te zien of er genoeg steen te verkrijgen valt "teneinde door de armen te worden fijn geklopt tot Macadam ". Dit zou vervolgens kunnen worden verkocht als materiaal, voor wegenaanleg. Een overwogen werkverschaffingsproject dus. 
Eveneens van 1850 is een brief van enkele inwoners van Emmeloord aan de Commissaris. Het betreft W. Broodbakker, J.A. Klappe, D.D. Veen, A.J. Bien, B. J. Visscher en K. Diender. Zij laten weten dat de Commissie voor Noodlijdenden wel de armste bewoners blijft bedelen, maar aan hen als vissers weigert enige steun te geven, "waardoor het voor hen alzoo onmogelijk is hun visschersberoep uit te oefenen, Zij zeggen erbij dat zij weliswaar niet tot de armsten op het eiland te behoren maar dat zij zonder steun hun schuiten of netten niet kunnen laten repareren. Het zal voor de hulpverleners steeds een moeilijke afweging geweest zijn om met het weinige geld de goede keuzes te maken. De Commissaris verwijst terug naar de Commissie. 
In 1851. laat Gillot weten dat er 70 visschuiten zijn. Enkele zijn gemeten en moeten tonnengeld betalen (een belasting op de markering van vaarroutes door tonnen of bakens), maar het overgrote deel is alleen voor de visserij bestemd, niet gemeten? maar "naar mijn gevoelen allen geschat op 20 ton"
In 1853-1854 wordt zeer uitgebreid verslag gedaan over de geplande herstelwerkzaamheden aan beide schoolgebouwen. Het betreft dan het Z.g. 3-jarige onderhoud en betreft het vervangen van gebroken of afgewaaide pannen, het voegen van de muren, schoon maken en herstellen van goten, teren van bijgebouwen, en het in orde brengen van sloten en scharnieren. Dat er in deze jaren kennelijk nog niet gedacht wordt aan verlating van het eiland blijkt wel uit het feit dat er ook grotere werken op stapel staan, Op Ens moet de houten wand van de zuidgevel van het schoolgebouw vervangen worden door een stenen muur, het nieuwe hout van raam- en lijstwerk moet worden gegrond en twee maal overgeschilderd, het slaapkamertje boven de school moet opnieuw worden behangen met papier "naar keuze van 10 cent de rol", Verder wordt er nog een turfschuurtje gebouwd dat geteerd moet worden en een vloertje krijgt van steen, "in rood zand gestraat". Ook op Emmeloord is er geen sprake van 'niets meer doen, we gaan toch weg'. Het klokkentorentje op de schoolmeesterwoning wordt omkleed met nieuw vurenhouten delen, "wel zorgende dat de gelegenheid tot lekkagien worden weggenomen ", Ook daar blijkt een slaapkamertje te zijn, dat opnieuw wordt behangen, de westelijk gevel dient men af te breken en opnieuw op te metselen met vlakke klinkers in kalkmortel, en. de muren van binnen opnieuw te "berapen" en te pleisteren, van buiten te teren met moscovische teer en deze te bestrooien met cement. Voor de school wordt ook een post opgenomen voor herstel van banken, borden, letterkast e.d., waarbij de banken twee maal geschilderd dienen te worden. Het houten secreet moet worden vervangen door een nieuw op te metselen, waarbij men het portaal drie maal moet "verwen ". De totale begroting voor beide scholen komt op f 1500. Zo iets wordt natuurlijk niet voorgesteld als ontruiming overwogen wordt. 
In 1854 laat Gillot weten dat het met de visserij droevig gesteld is. Dit "gaat van jaar tot jaar agteruit, en eenmaal verloren, kan niet weder hersteld worden ". Als het zo door gaat dan is de visserij binnen een paar jaar "ten ene male afgelopen ", zo voorspeldt Gillot, en met alle gevolgen van diepe armoede van dien. Hij hoopt daarom dat het Gouvernement (provinciebestuur) de weeffabrieken op grote schaal zal uitbreiden en dat de fabrikant, "daar het zo slegt mede is gesteld" tegemoet zal worden gekomen. De firma Salomonson wil echter niets weten van uitbreiding, liever zou zij de zaak helemaal stoppen. Volgens de Burgemeester zijn de beide weverijen zeer nodig voor de bewoners. In het voorafgaande jaar is volgens hem aan arbeidsloon in het totaal voor f 6784 uitbetaald, een aanzienlijk bedrag. Op de fabrieken en in de woningen zijn 70 weefgetouwen. Het loon is nogal verschillend; er wordt f 3, soms f 2, maar ook wel f 1,50 per week uitbetaald, afhankelijk van "ouderdom van jaren en lust tot werken". 
In 1855 is de gezondheid van de bewoners nog steeds goed, laat zelfs "niets te wensen over". Ook het vee is gezond. De visserij echter gaat slecht. Die achteruitgang is overigens volgens Gillot ook te wijten aan "verplaatsing van een groot gedeelte van de bewoners en wel bijzonder van het jongere geslagt". Vooruitlopend op de totale ontvolking hebben met name de jongeren geen vertrouwen meer in de toekomst en vertrekken naar elders, vooral naar Vollenhove. 
Het aantal vissersschuiten bedraagt opeens nog maar 50. Op de Zuiderzee wordt gevist op bot, aal, spiering en ansjovis, maar de buit is "zeer veel minder dan tijdens vroegere jaren ", De vangst op de buitenzee (Noordzee) is aanmerkelijk beter geweest (schol, kabeljauwen tarbot), maar over de opbrengst kan Gillot niets zeggen want alles wordt op andere markten verkocht, zodat "men alhier zeldzaamst gewaar wordt wat zij aldaar voor hun vis hebben ontvangen ". 
De weinige haringvangst en vroeg ingevallen winter is in het afgelopen jaar oorzaak geweest van bittere armoede, zodat weer hulp van buiten ingeroepen moest worden. De weverijen, die dit jaar nog redelijk renderen, zorgen ervoor dat er zoveel werk aan de winkel is dat er meerdere weefgetouwen bij de mensen thuis geplaatst worden, omdat de fabrieken te klein zijn. Op de fabrieken werken ongeveer 50 kinderen en er zijn 20 thuiswerkers. Alles bij elkaar wordt er in totaal f 110 tot f 120 per week verdiend. Gillot spreekt dan ook over "zeer veel voordeel en veel verdiensten voor de bewoners". 
1855 is natuurlijk ook het jaar van de ontruiming van de Zuiderbuurt. Bijna alle bewoners zoeken het niet al te ver en strijken neer op de Middelbuurt. Nergens blijkt dat de Overheid deze kleine ontruiming heeft aangegrepen om de mensen te bewegen het eiland te verlaten. Deze operatie was nodig omdat de situatie van deze buurt zodanig was dat het teveel zou gaan kosten om haar voldoende te beschermen. Er is duidelijk sprake van andere motieven dan vier jaar later voor heel Schokland zouden gaan gelden. Misschien is het wel van belang geweest dat de mensen de Overheid als betrouwbaar hebben ervaren wat betreft een redelijke geldelijke tegemoetkoming. Ongetwijfeld zal dat meegespeeld hebben bij de komende ontruiming. 
In dit jaar valt ook een nogal pietepeuterige beslissing van de Minister van de R.C. Eredienst om het bedrag van f 25 (!) aan subsidie te verlenen aan pastoor Bruns "tot kwijting der kosten van kleine her- stellingen aan de R.C. Kerk en pastorie". Deze ruimhartige bijdrage gaat zelfs vergezeld van, een heus Koninklijk Besluit ("Wij Willem, enz. ") Waarschijnlijk is de pastoor niet slim genoeg geweest om meer te vragen. De Minister ziet overigens wel in dat regelmatig onderhoud nodig zal zijn "aangezien de behoefte aan reparaties der kerk en pastorie op Schokland te veel van de invloed afhangt, welke regen en wind op dat barre eiland uitoefenen"
Een jaar later is er niet veel meer over om te juichen De beide Calicotfabrieken hebben het grootste deel van het jaar stil gestaan. Er worden 9 jongens en 8 meisjes ontslagen. De verdiensten zijn mimimaal. Ook de visserij wil maar niet lukken. Er zijn nog 46 visschuiten, waarvan 6 geschikt voor de buitenzee, maar die vangst is dit jaar ook niet goed verlopen. Op de Zuiderzee was de vangst op aal en bot schraal en ook de haringvangst is zeer gering. Ansjovis liet zich dit jaar niet zien. De armoede neemt sterk toe en van verschillende vissers zijn hun schuiten in beslag genomen omdat de schulden niet betaald werden, 
Het verzoek van de vroedvrouw om een bedstee op zolder wordt gehonoreerd. Het echtpaar Blom heeft maar één bedstee en ze hebben pas een baby, en ze moesten al een keer naar boven vluchten tijdens een stormvloed, die "meestal in den winter plaats grijpt, zoo doet, zich de behoefte aan een bedstee boven in huis gevoelen. " Bovendien krijgt het echtpaar een nieuwe plee, "een stilletje"; erg royaal is die niet. De maat van het buitenwerk: hoog 0.60 el, bij 0.50. breed en diep; Dat. is behelpen. Over het land meldt Gillot dat, wanneer er niet gauw verandering komt in de toestand van de zeewering, binnen niet al te lange tijd het hele land in een grote waterplas zal zijn veranderd.
1857 is niet veel beter. Weer is de visvangst op de Zuiderzee tegengevallen. Alleen de vangst op de Noordzee was goed, maar er zijn maar enkele vissers in staat, om hieraan mee te doen, omdat de meeste schuiten te veel mankeren. De weverijen hebben zeer weinig bij kunnen dragen aan werkverschaffing. Opvallend is dat Gillot het erg moeilijk heeft om het Bevolkingsregister goed bij te houden omdat er heel veel mensen naar Kampen of elders vertrekken om te dienen en 1ater weer terug te keren zonder dat te laten weten. Hij benadrukt nog eens dat er geen bewoners, vertrokken zijn naar "overzeesche gewesten". Begint het jaar met een totaal van 660 bewoners, door vertrek en sterfte is dit getal teruggelopen tot 621. Opmerkelijk genoeg telt Schokland meer mannen dan vrouwen. De beide scholen hebben volgens zijn rapportage gemiddeld 50 jongens en 35 meisjes. De openbare veiligheid laat niets te wensen over. Er zijn geen branden van belang te melden en ook geen rampen of ongelukken. Over de straatverlichting laat de Burgemeester weten: "er is geen verlichting bij nacht op straat". Er zijn geen jaarmarkten en geen handel van betekenis. De beide begraafplaatsen verkeren al enige jaren in een deplorabele staat, maar de gemeente heeft geen geld om ze op te knappen. Wat betreft de landbouw: er zijn geen hengsten of merries, wel 9 koeien, 150 schapen en 1 geit. 
En dan komt de eerste aanwijzing, althans uit Schokland, over een eventuele ontruiming. Gillot laat weten dat de armbesturen op het eiland niets meer in kas hebben en zegt dan: "als het voorgenomen plan van ontvolking van Schokland niet door gaat dan is er geen ander middel om de armoede te verminderen dan de Calicotfabrieken weder op de vorige voet uit Je breiden". Het grote woord is dan gesproken, weliswaar nog wel in de zin va:n de 'eventuele' ontruiming, maar toch. . .. 
Maar ook in 1857 gaat het leven nog gewoon door. Nog in juli van dat jaar wordt bij Koninklijk Besluit een Rijkssubsidie van f 465,-- verleend ten behoeve van de rooms-katholieke kerk en pastorie. Zelfs een nieuw schuifraam" met gewichten kan er van af, de kamer in de pastorie mag opnieuw worden behangen met papier van f 0,90 de rol, en in de keuken wordt een nieuw fornuis "of kookmachien" geplaatst. Boven het dakvenster komt een hijsbalk en binnen een nieuwe boeken- en kledingkast. Of het in verband met tocht of met privacy te maken heeft wordt niet vermeld, maar in de begroting wordt ook opgenomen om "het zoldertje in de biechtstoel vast te spijkeren ". 
Wat de weverij betreft: de Commissie van Toezicht is het niet eens met de nieuwe eigenaar Bottenheim om de wevers op het eiland tot hun 20ste jaar toe te laten, "daar de ondervinding leert dat jongelieden na die ouderdom ongeschikt zijn tot eenig andere handen arbeid", en bovendien vindt de Commissie het "geheel in strijd met de bevordering der zedelijkheid". Sommige leden zien zich genoodzaakt, bij gebrek aan voldoende toezicht, om zelf regelmatig de weverijen te bezoeken, boetes uit te delen en sommige schuldigen aan ordeloosheid te verwijderen. In een begeleidend schrijven doet Gillot een dringend beroep om de weverijen juist de laatste jaren met kracht voort te zetten, om zodoende de mensen een inkomen te kunnen bezorgen. Hij doet dat "omdat het mijn gevoelen is dat in het tegenwoordige geval, n.l om de bewooners van Schokland te doen verwijderen. zolang de zaak bij de Hoge Regering ligt Prompt wordt hij hiervoor door de Commissaris der Koning op de vingers getikt, maar in de context van toen is zijn verzoek natuurlijk heel logisch. 
Over het voorkomen van epidemische ziektes zegt Gillot, overigens zonder te vermelden wat voor soort ziekte hij bedoelt, dat er op Emmeloord geen nieuwe gevallen zijn bijgekomen, daarentegen wel op Ens, "zodat er nu al 3 personen mee besogt zijn, waaronder de veldwachter". 
De conclusie van dit alles kan haast niet anders zijn dan dat pas in 1857 voor het eerst gesproken wordt over een eventuele ontruiming, dat er geen enkel teken is van heimelijke voorbereiding en dat vooral ook het leven op het eiland gewoon tot het laatst doorgaat. 
Dat kan ook bijna niet anders, want pas in oktober 1858 krijgt de burgemeester van de Commissaris des Konings te horen dat het wetsontwerp betreffende de ontruiming van het eiland zodanig door de Tweede Kamer ontvangen is, dat het er naar uit ziet dat "die maatregel tot uitvoering zal komen, en het worde dan ook uw pligt om zoveel mogelijk het welslagen daarvan te bevorderen ". 
(Wordt vervolgd) Overgenomen uit "Het Schokkererf" (No:55-jan.2004) Verenigingorgaan van de Schokkervereniging.